Oma

Opa en Oma Koning woonden al heel lang aan de West 100 te Avenhorn, een dorpje op kilometers afstand van Hoorn, Noord Holland. Ze woonden daar zelfstandig. Opa in de stoel, voor de TV. Oma deed het huishouden, ging daarna altijd naast Opa zitten.
 
Ik kwam een paar keer per jaar bij mijn grootouders. Vroeger vaker dan in de laatste jaren. Mijn ouders hebben al sinds mensheugenis geen auto meer, dus we gingen dan altijd met het openbaar vervoer. Eerst met de trein naar Amsterdam. Daar stapten we over op de trein naar Hoorn. Die trein bleef altijd heel lang staan in Amsterdam. We gingen er desondanks toch alvast inzitten. Na een tijdje stelde mijn vader voor om koffie te gaan halen. De kleine Lennart verbleekte dan altijd van schik: papa heeft de kaartjes. Straks gaat de trein weg zonder kaartjes, maar met ons. Gelukkig kwam Piet altijd op tijd terug. 
 
In mijn geboorteplaats Hoorn pakten we de bus richting De Goorn, die zich langs de kleine dorpjes waande. Spannend was het deel van de rit met de steile heuveltjes. Noord Holland staat bekend om haar platteland, maar ons traject ging soms op en af. Achterin die oude bus werd je alle kanten op gegooid. Die kriebels in je maag. Het zijn die mooie dingen die je blijft herinneren. 
 
Uiteindelijk stapten we dan uit in Avenhorn, dat volgens mij uit slechts één straat bestaat. Die weg is een verbinding tussen de dorpjes Spierdijk en Ouwendijk. Er worden dan ook vaak snelheidduivels gesignaleerd in ‘t dorp. Tegenwoordig hoor je op de radio vaak iets over kilometers file bij Avenhorn. Dat is gelukkig niet in die straat.
 
Bij Opa en Oma Van de Bus –naar mijn vaders moeder gingen we altijd alleen met de trein- was altijd wel iets te doen. Ze hadden daar een heuse graafmachine. Daarmee gingen we Opa’s bonen vervoeren. Er was een ronde kussen, die door het hele huis vloog. En de koe, die bijna te groot was om in onze handen te houden.
 
Als het mooi weer was, gingen we met Opa naar zijn tuintje. Opa zijn pet op, wij een trotse blik in onze ogen. We liepen dan met Opa door een schuur met allemaal wasmachines, op naar een andere schuur met een grote koelcel. Aan die schuur lag het water.
 
Daar stapten we in het schuitje. Opa eerst. Gommel de gommel. We stapten voorzichtig in. Opa roeide dan een stukje het water in. Dan mocht ik roeien. Onder het bruggetje door, naar het landje. Daar verbouwde Opa bieten, piepers, bonen en rode kool. Wortels, sperziebonen, zonnebloemen en snijbonen. Het was zijn lust en zijn leven. Volgens mij heeft hij daar zijn hele leven gewerkt.
 
Als we weer thuis kwamen deed Opa zijn middagdutje. Daarna ging hij roken. Op verzoek blies hij dan ringetjes uit, zoals Lucky Luke dat deed. Oma zat dan met mijn moeder te praten. Ze deden de afwas. Als Opa Eurosport aandeed, kwam Oma ook even kijken. Van Oma kregen we dan altijd twee rolletjes Faamdrop met een vijf-guldenmunt. Later werd dat een briefje van vijf. 
 
Ook kregen we van Opa altijd groente mee. Ik moet zeggen dat hij altijd de lekkerste komkommers had. Ook zijn bietjes waren heel lekker. Vaak kregen we veel meer mee dan we nodig hadden.
 
Soms bleven we slapen in Avenhorn. Dan mocht ik altijd het Sportjournaal kijken. Ook maakte ik dan het avondgebed mee. Het eten was altijd eenvoudig. De soep, de pannekoeken en het toetje. Allemaal in hetzelfde bord. 
 
In de WC hing een moderne tegel waarop vermeld stond dat je een stukje papier twee maal kon gebruiken. Naast de toilet lag een potje waarin twee generaties baby’s in hebben gepoept. Aan de muur hing een oude verjaardagskalender. Winkelen in Raalte stond erop.
 
De laatste jaren veranderde veel in huize Koning. Als laatste van de zeven kinderen vertrok zoon Kees uit huis. Hij zal bijna vijftig zijn geweest toen hij Mina leerde kennen, zijn huidige vrouw van Indonesische afkomst.
 
We kwamen wat minder in Avenhorn. Voor de kleinkinderen werd er geen Sinterklaas meer gevierd, we werden te oud. Daarnaast ging het met de gezondheid wat minder. Opa kon het niet meer opbrengen om zijn landje goed te verzorgen. Ook kreeg hij een kleine hersenbloeding. Sterk als hij is, kwam hij er weer snel bovenop. Wel was hij slechthorend. Een gehoorapparaat wilde hij niet. De TV stond dan ook snoeihard aan. 
 
Oma kreeg het ook zwaar. Ze had d’r hele leven al last van suikerziekte, en nu gingen haar botten ook achteruit. Ze kreeg een wandelstok. Ook belandde ze even in het ziekenhuis, maar gelukkig ging het weer snel de goede kant op. Ik kan niet anders zeggen dat ze heel sterk en normaal waren.
 
Ik begon de laatste jaren ook meer respect te krijgen voor mijn Oma. Ze deed alles in het huishouden, was de draaiende motor. Vroeger was het altijd zo dat we bij binnenkomst eerst naar Opa renden. Nu zegde ik altijd eerst Oma gedag. Ik zag haar wel ieder bezoek weer iets krimpen, maar ze zag er nog altijd erg sterk uit. Na ieder bezoek nam ik afscheid alsof het de laatste keer was.
 
Woensdag 23 mei was het dus zover. Oma viel op de stoep. Een voorbijganger vroeg onmiddellijk of het ging. “Suiker, suiker”, riep ze nog, waarna de stekker eruit ging. Oma is niet meer.

 

      

Recent articles

Blijf omkijken - 3 October 2012

Ben jij er al uit? - 4 October 2010

Reactie op een column - 7 April 2010

Vingeren of stoppen - 10 February 2010

Hoe veilig is muziek? - 14 January 2010