Het doel van de vrijdag

Morgen stap ik uit bed met een doel. Deze keer niet omdat ik om 8.45 uur te Enschede moet zijn, maar omdat ik op die mooie vrijdag clubkampioen van SG Amersfoort kan worden. Het zou mijn eerste clubkampioenschap kunnen worden. Tegenstander is weleer is titelverdediger Peter Sonder, die met zwart aan een remise genoeg heeft om zijn kampioenschap te prolongeren. Een lastige klus, des te meer omdat ik hem nog nooit heb verslagen.

De interne van Amersfoort kent een systeem met vierkampen. Voor iedere speelsterkte –van A tot D- is er een vierkamp. Uitweg uit dit kastensysteem is dat iedereen zich kan plaatsen voor de vierkamp voor het clubkampioenschap.

Plaatsing voor een vierkamp gaat in periodes. Diegene die aan het eind van een periode –er zijn vier periodes- bovenaan de ranglijst staat, is verzekerd van een plekje in de vierkamp. Regel is wel dat je minimaal 12 partijen moet hebben gespeeld. Als een speler twee periodes lang aan kop staat, plaatst de nummer twee van die tweede periode zich voor de vierkamp.

Met de invoering van de vierkampen –bijna twee jaar terug- zou de interne van Amersfoort weer wat spanning krijgen. Helaas was die spanning niet voor mij weggelegd, ik won namelijk de eerste periode. Er gingen zes partijen gewonnen, en verloor een Witpartij tegen Peter Sonder. Hierna stond er een half jaar lang niets meer op het spel.

Aan het eind van de competitie stond ik op een vierde plek. Eerst interesseerde me het niet zo, die rankschikking, maar nu weet ik wel beter. Overigens kwalificeerden ná mij de heren Tonnon (2120), Sonder (2041) en Du Chatinier (1884) voor de kampioengroep.

Peter Sonder

De laatste periode was trouwens ongekend spannend –voor Amersfoortse begrippen-. Het leek er een hele tijd op dat de laatste plek naar Lars of Arjan Tissink zou gaan. Lars speelde de laatste drie ronden, wegens verplichtingen elders, niet mee. Arjan had wat motivatieprobleempjes, en kwam dus amper spelen. In een van de laatste ronden speelde hij nog remise met Sonder, waarna hij zich niet meer op het strijdtoneel waagde.

Voor de laatste speelronde leek Lars aardig zeker van zijn plekje, ook al speelde hij zelf niet. Tissink had al aangegeven niet te gaan spelen, en een voorsprong op een select groepje achtervolgers leek beslissend. Gelukkig –flauw- won Gunie du Chatinier zijn laatste partij, waardoor hij net boven Lars eindigde. De kampioensgroep was gevormd.

In de eerste ronde van de vierkamp werd ik met Wit gekoppeld aan Tonnon. René schaakt pas sinds een paar jaar weer actief, na een afwezigheid van meer dan een decennia. Zijn startrating van 1714 bleek twee jaar later zo’n vierhonderd punten te zijn gestegen.

Ik ken Tonnon als een heel vriendelijke man en een goede schaker. Hij speelt Najdorf en Sveshnikov, en is aardig op de hoogte van de theorie. Na een vermoeide schooldag ging ik nog even snel voorbereiden, en daarna naar de club. Aangekomen in het Labyrinth / De Drietand, praatte ik eerst wat bij met clubgenoten die ik al een tijd niet meer had gezien. Daarna begon de partij.

René verbaasde mij met het Berlijns, een ruilvariant van het Spaans. Na 4.De2 –Tonnon heeft amper ervaring met het Spaans- ging René een tijdlang in de denktank. Er ontstond een ‘normale’ Spanjaard, waarin ik het slappe d3 speelde. Tonnon bracht de stelling uiteindelijk makkelijk in evenwicht. Na een Witte miskleun op de koningsvleugel wist René binnen te komen op de damevleugel. Na wat slappe zetjes van zijn kant, zag ik mijn kans schoon om zijn –enigszins- verlaten koningsstelling te openen. René pakte de kwal niet, waarna de stelling gesloten bleef. Na verder correct spel van Tonnon –hij had niet veel tijd meer op de klok- belandden we in een eindspelletje met een pion meer voor Zwart. Wegens een dichtgeschoven pionnenstructuur en –daar heb je ‘m weer- tijdsachterstand, besloot Tonnon een onafwendbaar remiseaanbod te plaatsten.

De andere partij werd gewonnen door Peter Sonder. Witspeler Gunie leek wat beter te staan na de opening -1.e4 e5 2.Pf3 Pc6 3.Pc3 Pc6 4.a3 Le7-, maar wist het voordeel niet vast te houden. In tijdnood van Du Chatinier wist Peter zijn slag te slaan.

Afgelopen week moest ik met zwart tegen Gunie. Ook nu weer een zware schooldag gehad, waardoor van enige voorbereiding weinig sprake was. Zwartspeler Ootes leek wat beter te staan na de opening -1.e4 e5 2.Pf3 Pc6 3.Pc3 Pc6 4.a3 g6 5.Le2-, en wist het voordeel goed vast te houden. In tijdnood van Du Chatinier wist ik mijn slag definitief te slaan.

De partij tussen Peter en René was voor mij net zo belangrijk als mijn eigen partij. Bij winst van René zouden mijn kansen aardig verkeken zijn. Dan had ik namelijk niks meer in eigen hand.

Ditmaal speelde René het Frans, wat niet goed uit de verf kwam. Zwart had geen idee wat te doen, begon weer lang na te denken. Peter, daarentegen, wist binnen te vallen op de koningvleugel. Net toen hij –naar eigen zeggen- de winnende zet kon uitvoeren, draaide Peter twee zetten om, waarna een groot deel van zijn voordeel wegvloeide. Na nog wat onnauwkeurigheden kwam er een eindspel op het bord dat goed moest zijn voor Zwart. Peter wist echter goed stand te houden, waarna een remise werd aangesproken.

De huidige situatie, met nog een ronde voor de boeg, is als volgt. Peter en Lennart staan aan kop met ieder 1.5 punt. René is derde met 1, Gunie 0. Bij gelijk eindigen tellen eerst onderling resultaat en SB-punten. Dan de eindstand in de interne, gevolgd door het aantal gespeelde partijen. Peter en René eindigden samen aan kop. Peter had hiervoor de meeste partijen nodig. Hierdoor zou Sonder vrijdag aan een remise voldoende hebben voor titelprolongatie.

Ik moet dus winnen met Wit. Maar hoe doe je dat? Vooral als je nog nooit van die man hebt gewonnen.

Allereerst kijk je natuurlijk naar de partijen van Peter. Ik kon niet echt een zwak punt ontdekken. Peter is psychologisch heel sterk en kan zich snel aanpassen aan een nieuwe situatie. Dan maar de openingen. Ik kan de volgende openingen verwachten:

1.e4 c5 2.Pf3 Pc6 3.d4 cxd4 4.Pxd4 Pf6 5.Pc3 e5 6.Pdb5 d6 7.Lg5 a6 8.Pa3 b5 9.Lxf6 gxf6 10.Pd5 Lg7 11.c3 Pe7

De Sveshnikov is Peters thuishaven, hier heeft hij de meeste ervaring mee. In onze laatste ontmoeting verloor ik tegen deze variant.

1.e4 e5 2.Pf3 Pf6

Het Russisch, een opening die Peter ook goed kent. Hij weet dat ik het een leuke opening vind, dat ik het zelf speel. Het Russisch is natuurlijk ook een opening waarin je niet snel verliest met Zwart.

1.e4 c6 2.d4 d5 3.Pc3 dxe4 4.Pxe4 Pf6 5.Pxf6+ exf6 6.c3 Ld6

Dit speelde Peter vorig jaar tegen Lars. Sonder heeft geprobeerd zijn pupil Jeanine de Cloet ook deze variant te laten spelen. Zonder succes. Ik verwacht ook niet echt dat Peter dit gaat spelen.

1.e4 [1...Pf6; 1...d5; 1...g6]

Dan blijven over de rest-zetten. Het Scandinavisch is natuurlijk een gewaagde keuze, maar van iemand met een leuk gevoel voor humor als Peter, kun je altijd zo’n zet verwachten. Bij Amersfoort sta ik bekend als degene die echt tegen het Scandinavisch is.

Aan de bar zal ik vast wel eens hebben gezegd dat ik heel slecht tegen een Pirc speel. Een Konings-Indisch-speler kan zulke systemen wat sneller gerbuiken.

Als Peter zich echt goed voorbereidt, ziet hij dat ik geen antwoord heb op de Aljechin-verdediging. -2. Pc3.

De keuze is dus reuze. Nu is het dus de vraag wat Peter zou kiezen. Het is een speler die wel van een verrassinkje houdt, maar in dat opzicht is een Sveshnikov dus ook een verassing. Ik ga er in elk geval morgen eens goed voor zitten. Een bord, stukken, de biografieën van Tal en Shirov, Chess for Tigers van Webb en natuurlijk een hele eik aan openingsboeken.

Tot slot nog een stukje uit het geweldige boek van Johnathan Rowson, getiteld The Seven Deadly Chess Sins. In het hoofdstuk Wanting beschrijft de Schotse GM de term ‘playing for two results’, wat inhoudt dat je dus voor winst, en anders remise speelt.

Before and during the game it can be good to ask yourself: how many results am I playing for?

If you are in a must-win situation then it would seem that you are playing for only one result, but I don’t think this is quite how the question operates. It is directed at the consideration of the position and its direction rather than just your desire. […]

Indeed, you may maximize your chances of victory in a must-win situation if you ‘play for three results’ because if a loss is as bad as a draw then you don’t necessarily add to the risk of not winning by creating the possibility of defeat. […]

The point is here seems to be that in restricting yourself to ‘one result’ you are likely to misassess or ignore lots of idea’s which are related to the other two results, and thus play in some sense blinkered.

     

Recent articles